Luigi Corvaglia
Van de postmoderne kritiek op het universalisme tot cognitieve oorlogsvoering: epistemologisch relativisme, anti-autoritaire tegencultuur en digitale algoritmen hebben de weg vrijgemaakt voor een epistemisch populisme en voor Russische propaganda, die niet zozeer een bepaalde waarheid wil opleggen, maar juist de mogelijkheid wil vernietigen om onderscheid te kunnen maken tussen wat waar en onwaar is.
Michel Foucault, die tijdens de Iraanse revolutie van 1979 door de Italiaanse krant Corriere della Sera naar Teheran werd gestuurd, raakte gefascineerd door wat hij een nieuwe vorm van ‘politieke spiritualiteit’ noemde. Toen hij werd aangesproken op zijn laconieke houding ten opzichte van een beweging die al snel de kenmerken van een autoritaire theocratie aannam, antwoordde hij:
“Zij hebben geen waarheidsregime dat gelijk is aan het onze, dat overigens volstrekt particulier is, ook al is het bijna universeel geworden.”
Deze uitspraak van de Franse filosoof vertoont een opvallende gelijkenis met een van de centrale stellingen van Aleksander Dugin, de theoreticus van het neo-eurasianisme en een van de belangrijkste ideologische invloeden van het hedendaagse Russische imperialisme. Dugin betoogt dat er geen universele beschaving bestaat, maar eerder een veelheid aan beschavingen, elk met een eigen waarheid, een eigen waardensysteem en een eigen historische bestemming. Bijgevolg zouden mensenrechten, liberale democratie en de rationaliteit van de Verlichting geen universele verworvenheden van de mensheid vertegenwoordigen, maar eerder de historisch bepaalde uitdrukking van de westerse beschaving, die op onrechtmatige wijze beweert haar particuliere waarden te mogen universaliseren.
Het is een samenloop van omstandigheden die even verrassend als verontrustend is. Foucault, een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het postmodernisme, streefde ernaar de machtsmechanismen te ontmantelen om nieuwe mogelijkheden voor emancipatie te creëren; Dugin gebruikt een soortgelijke kritiek op het universalisme om een traditionalistisch, autoritair en neo-imperialistisch project te legitimeren. Hun doelen zijn tegengesteld, maar op epistemologisch niveau ontstaat een significante convergentie: beiden stellen het bestaan van universele criteria voor politieke en morele geldigheid, onafhankelijk van verschillende culturele tradities, radicaal ter discussie.
Maurizio Ferraris merkt op, verwijzend naar de filosofische stroming waarvan Foucault een van de belangrijkste vertegenwoordigers was:
“Het is merkwaardig dat de ‘school van de achterdocht’, het idee dat we aan alles moeten twijfelen, ontstaat als een kritische oefening, maar op zijn zachtst gezegd dogmatische gevolgen kan hebben, omdat ze ons leert niet alleen aan leugens te twijfelen, maar ook aan erkende waarheden. Daarmee bewijst ze de leugen een uitstekende dienst door haar op hetzelfde niveau te plaatsen als de waarheid. Dit principe, dat, toegepast op de wetenschap, een arts niet te onderscheiden maakt van een sjamaan en een astronoom van een astroloog, is bijzonder dramatisch in het geval van de geschiedschrijving, omdat het een dodelijke absolutie verleent aan de ergste tragedies van de mensheid.”
Hier ontstaan ideologische incidenten zoals de ontmoeting tussen Foucault en Dugin, en het is op deze crisis van het universalisme dat het hedendaagse rossobrunismo* en de Kremlinpropaganda een aanzienlijk deel van hun ideologische legitimiteit hebben gebouwd. Hun strategie is niet om de superioriteit van het Russische model aan te tonen, maar om te ontkennen dat er zoiets als een universeel criterium kan bestaan om het te kunenn beoordelen. Zodra het onderscheid tussen universele waarden en specifieke tradities is vervaagd, houden zelfs agressie tegen een soevereine staat, de onderdrukking van afwijkende meningen of de ontkenning van fundamentele rechten op schendingen van universele principes te zijn en worden ze simpelweg uitingen van een andere beschaving.
Men kan niet kritisch genoeg zijn ten aanzien van die periode in het Franse denken die, door het universalisme van de Verlichting te deconstrueren, de mogelijkheid om universele waarden te verdedigen tegen despotisme juist verzwakte en de anti-autoritaire koers van de beweging van 1968 verhief tot het radicale, anti-westerse relativisme waarvan we nu getuige zijn.
Van tegencultuur tot desinformatie
Wantrouwen jegens expertise kent een lange geschiedenis en is een terugkerend thema in de westerse tegencultuur van de late twintigste eeuw. De afwijzing van de traditionele autoriteiten – school, universiteit, staat, familie – was een reactie tegen instellingen die als onderdrukkend, bureaucratisch of autoritair werden ervaren. In die historische context betekende het in twijfel trekken van gevestigde kennis vaak het claimen van autonomie en vrijheid. Giovanni Jervis, die een substantiële bijdrage leverde aan dat tijdperk, schreef:
“Het debat, dat de waarde van bewijs en controle verwierp, vertrouwde alleen op persoonlijke meningen, op de min of meer betrouwbare subjectiviteit van iemand. En zo gebeurt het onvermijdelijk dat iemand charismatischer overkomt dan een ander, en uiteindelijk meer wordt gehoord. In de praktijk is het niet waar dat alle meningen even gezaghebbend zijn: sommige individuen meer dan anderen – we hebben allemaal een vader nodig, zei Freud – krijgen een ongewone dosis wijsheid toegeschreven. Op deze manier, door de experts te verwerpen, belandt men in de armen van goeroes.” (“Individualismo e Cooperazione. Psicologia della politica”, pag. 138, Bari, Laterza, 2002)
Het spreekt voor zich dat de vervanging van ‘experts’ door ‘heilige mannen’ geen probleem vormt voor een postmoderne scepticus. Met het motto ‘anything goes‘ had de Oostenrijkse epistemoloog Paul Feyerabend al het methodologisch anarchisme ingeluid (dat wellicht beter ‘Dadaïsme’ genoemd had kunnen worden, zoals Feyerabend zelf meermaals toegaf). Feyerabend ontkende elke waarde van de wetenschappelijke methode en stelde een ondubbelzinnig programma voor:
“We moeten ruimte laten voor tradities die botsen met wetenschap en rationalisme. Daarom zullen we proberen de macht van wetenschap en rationalisme met alle beschikbare middelen te ondermijnen.” (“La scienza in una società libera”, Feltrinelli, Milano, 1981, p. 162).
We zien hier een exacte omkering van Kants geschriften over de onderdrukking door onwetendheid en de bevrijdende kracht van kennis. Kennis is een onderdrukkende macht geworden en onwetendheid een bevrijdende kracht. Feyerabend vond het ongepast dat:
“[…] hoewel een Amerikaan nu de religie kan kiezen die hij verkiest, mag hij nog steeds niet eisen dat zijn kinderen magie leren op school in plaats van wetenschap. Er is een scheiding van kerk en staat, maar er is geen scheiding van staat en wetenschap.” (“Contro il metodo. Abbozzo di una teoria anarchica della conoscenza”, Feltrinelli, Milano, 1979, p. 244)
Feyerabend anticipeert in wezen op het populisme en de demagogie van “elke mening is evenveel waard“, de nasleep waarvan de hedendaagse politiek nu struikelt.
Het is in dit culturele terrein dat vijandig staat tegenover de westerse rationaliteit dat wat Charlotte Ward en David Voas conspiritualiteit hebben genoemd, de ongekende vermenging van New Age-spiritualiteit en complottheorieën, zich ontwikkelt. Bewegingen die universele harmonie, persoonlijke groei, alternatieve geneeskunde en innerlijke ontdekking predikten, beginnen geleidelijk hetzelfde symbolische universum te delen als complottheoretici: wantrouwen jegens de wetenschap, afwijzing van instituties, wantrouwen jegens de media en het geloof dat schimmige mondiale elites achter historische gebeurtenissen schuilgaan.
De pandemie heeft dit fenomeen duidelijk gemaakt. Kringen die zich bezighouden met esoterie, homeopathie, holistische praktijken en alternatieve spiritualiteit, delen plotseling inhoud, taal en platforms met antivaccinatiebewegingen, extreemrechtse groeperingen en – zoals we zullen zien, niet verrassend – pro-Russische propagandisten.
Het internet en sociale netwerken hebben dit proces enorm versneld. Digitale platforms hebben de toegang tot informatie gedemocratiseerd, maar tegelijkertijd veel van de filters weggenomen die ons, ondanks hun beperkingen, in staat stelden onderscheid te maken tussen geverifieerde informatie, meningen en propaganda. Het algoritme beloont niet de waarheid, maar het vermogen om betrokkenheid te genereren. In zo’n communicatieomgeving heeft een emotioneel krachtig verhaal vaak een concurrentievoordeel ten opzichte van een accurate maar complexe uitleg.
Het is in dit ecosysteem dat hedendaagse desinformatie haar ideale voedingsbodem vindt. Wantrouwen jegens experts ontstaat niet zomaar uit het niets: het onderschept, versterkt en organiseert het strategisch. Anti-autoritaire tegencultuur, epistemologisch relativisme, complotdenken en de communicatieve architectuur van sociale netwerken komen zo samen in een omgeving waar propaganda niet langer waar hoeft te lijken. Het hoeft alleen maar het wantrouwen aan te wakkeren dat niemand met zekerheid de waarheid van de leugen kan onderscheiden.
Van epistemologische crisis naar cognitieve oorlogsvoering
Propaganda bestond lange tijd uit het overtuigen van mensen van de waarheid van een bepaalde stelling. Het klassieke model omvatte een zender, een boodschap en een ontvanger die overtuigd moest worden. Tegenwoordig lijkt dit paradigma grotendeels achterhaald.
Moderne beïnvloedingscampagnes streven er niet primair naar om de ene waarheid door de andere te vervangen. Hun doel is veel radicaler: het ondermijnen van het vertrouwen in de processen waarmee een samenleving de waarheid van de leugen onderscheidt. Ze construeren geen alternatief narratief; ze laten alle narratieven gelijkwaardig lijken, en daardoor allemaal twijfelachtig of op zijn minst dubieus.
Deze strategie komt overeen met wat de RAND Corporation het ‘brandslangmodel van leugens‘ (Firehose of Falsehood) heeft genoemd. Russische propaganda overspoelt de publieke ruimte met een enorme hoeveelheid informatie, halve waarheden, vervalsingen en onderling tegenstrijdige versies van dezelfde gebeurtenissen. Consistentie is daarom geen vereiste; tegenstrijdigheid is eerder een bewust ingezet instrument.
Dit komt doordat het doel niet is om het publiek te overtuigen van de waarheid van een bepaald verhaal, maar om hen ervan te overtuigen dat geen enkel verhaal werkelijk geverifieerd kan worden. Er is zelfs geen zender, boodschap of ontvanger meer. Er is een zelfgenererend, systemisch proces van digitale ecosystemen vol bots, die zich als digitale zwermen bewegen en gebruikers zelf tot verspreiders van desinformatie maken.
Het succes van propaganda wordt met andere woorden niet gemeten aan het aantal mensen dat de versie van het Kremlin gelooft, maar aan het aantal mensen dat geen enkele bron meer gelooft. Een bevolking die ervan overtuigd is dat “iedereen liegt” wordt veel kwetsbaarder dan een bevolking die simpelweg verkeerd geïnformeerd is. Wanneer elk feit als een simpel verhaal wordt gepresenteerd en elk verhaal als propaganda, vervaagt het onderscheid tussen kennis en manipulatie. Dit is precies het doel van de hedendaagse cognitieve oorlogsvoering.
Uiteindelijk is de communicatiestrategie van het Kremlin tijdens de oorlog tegen Oekraïne het meest duidelijke voorbeeld van hoe dit wantrouwen kan worden uitgebuit. Het doel is niet om de westerse publieke opinie ervan te overtuigen dat de Russische versie van de gebeurtenissen waar is. Dat is belangrijk in Rusland, maar niet elders. In het Westen volstaat het om de indruk te wekken dat alle versies even verdacht zijn: die van het Kremlin, die van de Europese Unie, die van de Verenigde Naties, die van de onafhankelijke media.
Het is daarom begrijpelijk waarom dezelfde informatie-ecosystemen die tijdens de pandemie wantrouwen jegens de wetenschappelijke gemeenschap verspreidden, snel pro-Russische standpunten hebben ingenomen. Hoewel het onderwerp anders is, is de cognitieve architectuur die scepsis jegens de officiële geneeskunde mogelijk maakte dezelfde en is het inderdaad dezelfde architectuur waarop het bouwwerk van wantrouwen jegens westerse liberale democratieën kon worden opgetrokken.
Hier ligt de link tussen filosofisch relativisme, de cultuur van wantrouwen en propaganda. Het is dan ook geen verrassing dat inlichtingendiensten in verschillende landen een rol hebben gespeeld in de verspreiding van de nieuwste complottheorieën.
Cognitieve oorlogsvoering verandert met andere woorden niet alleen meningen. Het verandert de relatie die individuen hebben met de bronnen van kennis, waardoor het vertrouwen in de instellingen die kennis produceren – universiteiten, de wetenschappelijke gemeenschap, de professionele journalistiek, de rechterlijke macht en internationale organisaties – afneemt. Zodra dit vertrouwen is ondermijnd, wordt het veel gemakkelijker om het verificatiecriterium te vervangen door het criterium van lidmaatschap.
Het is een geleidelijk proces. Eerst wordt er twijfel gezaaid over institutionele bronnen. Vervolgens wordt er meer geloofwaardigheid toegekend aan zogenaamde ‘alternatieve’ bronnen, juist omdat ze gemarginaliseerd of vervolgd worden. Uiteindelijk komen we tot de overtuiging dat alle bronnen liegen en dat het enige mogelijke criterium identiteit is: we vertrouwen degenen die tot onze eigen groep behoren en wantrouwen systematisch iedereen die als onderdeel van het ‘systeem’ wordt beschouwd.
Het is niet zomaar een verandering van mening. De manier waarop meningen worden gevormd, is fundamenteel veranderd.
Het eindresultaat is wat we epistemisch populisme zouden kunnen noemen. Empirische verificatie maakt plaats voor digitaal tribalisme; argumentatie wordt vervangen door getuigenissen; de wetenschappelijke methode door viraliteit. In deze culturele omgeving floreren autocratische beïnvloedingsstrategieën. Dit is het grootste probleem van de huidige tijd, want een liberale democratie kan afwijkende meningen verdragen, maar kan nauwelijks overleven wanneer de gedeelde criteria die feiten van verhalen onderscheiden, verdwijnen.
Vertaling van:
Il crepuscolo della verità. Populismo epistemico, rossobrunismo e guerra cognitiva

- Rossobrunismo: een Italiaanse politieke term die verwijst naar de ideologische convergentie, overlap of vermenging tussen extreemlinkse (rosso = rood) en extreemrechtse (bruno = bruin) ideeën en bewegingen.