“Geleidelijk aan wordt het hoofd door de geesteswetenschap helemaal buiten gebruik gesteld” (Rudolf Steiner)

Al meer dan zestien jaar staat in Nederland de antroposofie van Rudolf Steiner (1861-1925) ter discussie. Met name het racisme, antisemitisme en (Duits) nationalisme van de grote voorman staan hierin centraal. Keer op keer trachten de antroposofen de kritiek te weerleggen zonder evenwel de critici te kunnen overtuigen. Dit resulteerde uiteindelijk in 1996 in de instelling van een commissie onder voorzitterschap van Ted van Baarda, een vooraanstaand antroposoof. In 1998 publiceerde deze commissie haar interim-rapport en op 1 april 2000 verscheen het lang verwachte eindrapport (zie ook het artikel van Agnes Thomassen in het vorige nummer van Kleintje Muurkrant).

door Peter Zegers

Kort na de publikatie van het eindrapport spande het bestuur van de Antroposofische Vereniging in Nederland (AViN) een kort geding aan tegen de redactie van het weekblad De Groene Amsterdammer vanwege de publikatie op 19 april van delen uit het rapport. De journalist René Zwaap publiceerde namelijk alleen de zestien uitspraken die door de commissie als “ernstig discriminerend” waren gekenschetst en de commentaren van de commissie op deze uitspraken van Steiner en niet de overige 229, waarvan er nochtans 67 als “mild discriminerend” (sic) waren aangemerkt. Daarnaast vermeldde het artikel van Zwaap niet de eigenaardige “conclusie” van de commissie Van Baarda dat er geen rassenleer aanwezig is in het werk van Steiner. Bovendien, aldus de antroposofen en hun advocaat Mr. Sijmons van het advocatenkantoor Nysingh Dijkstra De Graaf, had Zwaap de citaten van Steiner “tendentieus en aantoonbaar verkeerd vertaald.”

Op vrijdag 19 mei vond de hoorzitting in Amsterdam plaats onder leiding van mr. R. Orobio de Castro. Mr. Sijmons vond dat er sprake was van “selectieve verontwaardiging” en dat de “score” van 16 discriminerende uitspraken bij Steiner eigenlijk nog vrij laag was, gezien het feit dat ze werden gedaan in een tijd waarin nationalisme, racisme en antisemitisme schering en inslag waren. Uitvoerig ging Sijmons in op de werkwijze van de commissie Van Baarda (overigens volledig bestaande uit leden van AViN) en de opbouw van het rapport. Volgens hem had de commissie de enig “objectieve” werkwijze gekozen door uit te gaan van het strafrecht. Alle andere benaderingen leveren slechts een “subjectief” oordeel op. Een erg beperkte, strikt juridische kijk op maatschappelijke en historische vraagstukken. Alsof wetgeving niet altijd achterloopt bij de maatschappelijke ontwikkeling. Bovendien plaatst de commissie zichzelf daarbij in de rol van rechter. Historische en maatschappelijke vraagstukken kunnen natuurlijk niet beslist worden door strikt juridisch te redeneren (waarmee ik niet wil beweren dat de conclusies van de commissie op juridisch vlak wel gerechtvaardigd zouden zijn). Opmerkelijk was dat Sijmons van mening was dat Steiner een soort van radensocialisme zou hebben voorgestaan tijdens de woelige jaren in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog. Een opvatting die ik aan een nader onderzoek zal onderwerpen en waarover ik zal berichten in een volgend artikel.

Volgens de AViN en haar advocaat had De Groene-redacteur Zwaap een vertekend beeld gegeven van de conclusies van de commissie Van Baarda. Weliswaar was de AViN niet onverdeeld gelukkig geweest met de berichtgeving in andere bladen – naar haar mening werd er te veel aandacht gevestigd op de 16 “ernstig discriminerende” uitspraken van Steiner, maar deze media hadden tenminste de mededeling dat naar oordeel van de commissie er geen sprake is van een rassenleer in het werk van Steiner vermeld. Het Algemeen Dagblad schreef dat er 16 “racistische uitspraken” in het werk van Steiner voorkomen, wat leidde tot een reactie van het bestuur van de AViN. De volgende dag werd een rectificatie gepubliceerd waarin vermeld werd dat er 16 “ernstig discriminerende uitspraken” waren aangetroffen. De presentatie van De Groene Amsterdammer had het echter doen voorkomen alsof de commissie Van Baarda tot de conclusie was gekomen dat Steiner niet deugde (zoals vermeld stond op de voorpagina van het weekblad) aldus de advocaat van de antroposofen. Deze suggestie werd bovendien nog versterkt doordat op pagina 3 stond vermeld: “antroposofen lichten hun voorman door op racisme.” Daarnaast zou Zwaap de citaten tendentieus hebben vertaald. De vertaling moest wel van Zwaap zijn omdat de citaten in het rapport onvertaald waren gebleven. Als enige voorbeeld hiervoor voor het tendentieuze vertalen van Zwaap werd de vertaling van de volgende uitspraak van Steiner genoemd: “Het jodendom heeft zichzelf al lang overleefd, heeft geen rechtvaardiging binnen het moderne leven der volkeren, en dat het vooralsnog behouden is gebleven, is een fout van de wereldgeschiedenis, waarvan de gevolgen niet uitblijven kunnen. We bedoelen hier niet alleen de vormen van de joodse religie, maar vooral ook de geest van het jodendom, de joodse manier van denken.” In plaats van “kunnen” had het woord “konnten” uit het originele citaat vertaald moeten worden met “konden”. Deze vertaling heeft een lange voorgeschiedenis waarop ik nu niet zal ingaan, maar het is typerend dat er weliswaar een vertaalfout wordt geconstateerd zonder verder op de uitspraak zelf nog in te gaan. Een tactiek die al werd gehanteerd door Walter Heijder, een andere pleiter voor Steiner, in zijn boekje “Rudolf Steiner versus nationaal-socialisme” (Den Haag: Vereniging voor Vrije Opvoedkunst, 1997).

Op het voorstel van Martin van Amerongen, hoofdredacteur van De Groene, om een ingezonden brief van één pagina omvang te publiceren, werd negatief gereageerd door het bestuur van de AViN. De advocaat van de antroposofen kwam met een rekensom die als uitkomst had dat zo’n 2 miljoen Nederlanders de advertenties van De Groene voor het gewraakte nummer hadden gelezen. Om de schade te herstellen eiste de AViN dat op zijn minst dezelfde publiciteit zou moeten worden gegeven aan de rectificatie. Dus vermelding van de tekst: “Bewezen, Steiner deugde wel” op de voorpagina en een advertentie in drie landelijke dagbladen met deze voorpagina in de advertentie. Voorts werd nog juridische onderbouwing geleverd met verwijzing naar het auteursrecht en het citaatrecht. Gelukkig ben ik geen jurist en daarom zal ik afzien van een weergave van de juridische redenering van mr. Sijmons. De advocaat van De Groene, wiens naam mij onbekend is gebleven, begon met de ontvankelijkheid van de AViN in vraag te stellen. Anders dan de antroposofen willen doen voorkomen, is namelijk niet het eindrapport van de AViN-commissie onderwerp van het artikel, maar Rudolf Steiner zelf. De 16 uitspraken in het rapport en de commentaren werden geciteerd om de lezer van De Groene in staat te stellen een eigen oordeel te vormen over Steiner. De redactie is van mening dat Steiner een racist is en heeft dat dus op de voorpagina gezet. De lezer moet in staat worden geacht te kunnen onderscheiden tussen een citaat en een redactionele opmerking. Bovendien hadden de lezers al via de diverse dagbladen kennis kunnen nemen van de conclusies van de commissie Van Baarda en ook in het commentaar op de citaten klinken deze al voldoende door. De reputatie van Steiner staat ter discussie en vormt de eigenlijke kern van deze zaak, wat ook blijkt uit de eisen van de AViN. De advocaat van De Groene begrijpt dat de AViN niet zo gelukkig is met de opvatting van de redactie, maar meningen zijn nu eenmaal niet voor rectificatie vatbaar. Het auteursrecht op de werken van Rudolf Steiner (en dus ook vertalingen) is per 1 januari 1996 vervallen, aldus de advocaat. Interessant was in het weerwoord van mr. Sijmons dat de AViN zich wel degelijk als belanghebbende ziet in dit kort geding. Dat is interessant omdat zich dan de vraag opdringt hoe een organisatie die belang heeft bij de goede naam van Steiner, daadwerkelijk “objectief” kan zijn in de beoordeling van racistische elementen in het werk van Steiner. Slechts zestien citaten zijn naar mening van de advocaat te weinig om een oordeel te kunnen vellen over het werk van Steiner dat 89.000 pagina’s omvat. Een absurde redenering. Alsof iedereen jarenlang bezig moet met de bestudering van het ondoordringbare werk van Steiner alvorens zich een mening te mogen vormen. Bovendien werd ook het commentaar van de commissie Van Baarda bijgevoegd in het artikel. De uitspraak vindt plaats op 31 mei (tijdens het redigeren van dit Kleintje was dit dus nog niet bekend).

In een interview in het aprilnummer van het antroposofische ledenblad ‘Motief’ gaf Ted van Baarda, de voorzitter van de commissie, het juridische offensief al onomwonden aan: “[Z]o ’n rapport [moet] kunnen dienen als verdedigingslinie tegen aanvallen van tegenstanders van de antroposofie. Nu alle betrokken uitspraken bij elkaar zijn gezet, kunnen we ook iedereen betrappen die selectief bezig is met citeren. Bovendien kun je nu in juridische zin bewijzen dat er bij Steiner geen sprake is van rassenleer of antisemitisme.” Dat dit geen loze woorden zijn, illustreerde Van Baarda met het volgende voorbeeld: “In september vorig jaar was er bijvoorbeeld een kleine commotie in de pers over een directeur van een Montessori school die beweerde dat er onverkort rassenleer gedoceerd wordt op de Vrije Scholen. Het bestuur van de vereniging [AViN] heeft met het interim-rapport in de hand een advocaat ingeschakeld met de vordering: u trekt uw woorden in het openbaar in of u heeft een kort geding aan de broek met schadeclaim. De beschuldiging werd vervolgens in het openbaar ingetrokken met een excuus en er hoefde dus geen schadeclaim te worden ingediend.”

In het kort geding werd het eindrapport een “historisch-wetenschappelijk” werk genoemd. Niets is echter minder waar. Een voorbeeld van hun esoterische bewijsvoering vindt men bij het commentaar op citaat nummer 6 (zoals gepubliceerd in De Groene van 19 april): “De gedachte dat Steiner hier een rassenleer bepleit, inclusief de superioriteit van het blanke ras, is echter onjuist, omdat zijn reïncarnatiegedachte de idee dat het ene ras superieur zou zijn aan het andere doorbreekt.” Sinds wanneer is het geloof aan reïncarnatie wetenschappelijk? In het interim-rapport bleek ook al dat de commissie Van Baarda van mening is dat Steiner alleen door antroposofen begrepen kan worden. Alle andere commentatoren en vooral critici zijn bevooroordeeld. In het interim-rapport schreef de commissie Van Baarda: “Mogelijk willen tegenstanders van de antroposofie opmerken dat het aan innerlijke onafhankelijkheid ontbreekt bij de leden van de commissie: zij zijn allen lid van de Antroposofische Vereniging. De commissie zou zich wellicht te vriendelijk kunnen gaan opstellen jegens Steiner en te onvriendelijk jegens zijn tegenstanders. Zonder deze tegenwerping volledig te willen diskwalificeren, kan het tegenovergestelde evenzeer worden betoogd. Onderzoekers die een andere filosofie of levensbeschouwing aanhangen … zullen bij hun bestudering van de antroposofie op aspecten (sic) stuiten die zij afkeurenswaardig of zelfs onzinnig vinden. Men denke aan de discussie tussen enerzijds voorstanders van de vaak sterk verdunde antroposofische geneesmiddelen, en anderzijds aanhangers van reguliere, dat wil zeggen allopathische geneesmiddelen. Het is niet vanzelfsprekend dat de laatstgenoemde onderzoekers tot meer evenwichtige of meer objectieve onderzoeksresultaten kunnen komen, met name wanneer zij de antroposofie niet ‘van binnenuit’ kennen”. Alsof je met anti-wetenschappelijke en obscurantistische methoden ooit tot een “objectieve” conclusie zou kunnen komen. Het is trouwens illustratief dat zij zich zelf vergelijken met gevaarlijke kwakzalvers en gelovigen.

Een tekenend voorbeeld van de sektarische geest die onder antroposofen gemeengoed is, zijn de uitspraken van de Duitse antroposoof Michael S. Schild: “Men kan weliswaar ook zonder de erkenning van de werkelijkheid van de Geest tot een beoordeling van de antroposofie komen, maar deze beoordeling moet op grond van de gebrekkige uitgangspunten inadequaat zijn ten aanzien van de antroposofie” (te vinden op internetpagina www.anthroposophie-de.com/aktuelles/bierl.html). Natuurlijk vindt deze sektarische mentaliteit ook uiting in een vervolgingswaan. Dezelfde auteur schrijft: “Peter Bierl heeft zich met zijn pamflet ‘Wurzelrassen, Erzengel und Volksgeister’ aan het hoofd van het ‘Anti-Esoterik-Front’ geschreven, dat sinds een paar jaar probeert het werk van de antroposofie en Rudolf Steiner door onhoudbare verwijten onmogelijk te maken.” Naast Bierl noemt hij nog andere critici die onderdeel zouden zijn van dit complot: Jutta Ditfurth, Oliver Geden en Petrus van der Let. Ook de Zwitserse organisatie ‘Aktion Kinder des Holocaust’ is onderdeel van dit complot. Natuurlijk is dit ‘Anti-Esoterik-Front’ puur fictief en ontspruit geheel en al aan de fantasie van Schild. Tenslotte maakt Schild duidelijk wie zijn vijand is: “Bierl is aanhanger van een atheïstische, geestontkennende ideologie, wiens historisch uur sinds 1989 voorgoed voorbij is.” Bedoeld wordt natuurlijk links. Het is waarschijnlijk teveel gevraagd van Schild om te kunnen onderscheiden tussen dogmatische en ondogmatische varianten van het marxisme. Bierl, Ditfurth, Geden en Van der Let zijn auteurs die het hebben gewaagd kritische uitlatingen te doen over Rudolf Steiner. Ook ‘Aktion Kinder des Holocaust’ voert actie tegen de antisemitische tendensen binnen de antroposofie. Schild had hier gerust nog een heleboel namen aan kunnen toevoegen, met name die van Guido Grandt en Michael Grandt, wiens boek ‘Schwarzbuch Anthroposophie’ door hun toedoen uit de handel is genomen. Met talloze juridische trucs willen ze het critici onmogelijk maken hun opvattingen te publiceren.

In de hoorzitting zei de advocaat van de AViN dat de antroposofen graag een openbaar debat willen. Helaas blijkt deze bereidheid uit zeer weinig. Allereerst is het rapport van de commissie niet via de boekhandel verkrijgbaar, maar alleen bij de vereniging zelf. Daarnaast is het erg duur (131 gulden voor niet-leden, voor leden 91,-) en zijn de citaten van Rudolf Steiner onvertaald gebleven. Een aanvraag voor een recensie-exemplaar voor dit tijdschrift werd niet gehonoreerd. De persvoorlichter van de AViN liet op 12 april jongstleden weten: “In antwoord op uw verzoek, deel ik u hierbij mee dat wij geen recensie-exemplaar aan “Kleintje Muurkrant” beschikbaar stellen. Het eindrapport is beschikbaar via de boekhandel of bibliotheek. Met vriendelijke groeten, Gerard Kerkvliet.” Hieruit blijkt niet echt een bereidheid tot openbare discussie. Bovendien liegt de persvoorlichter (het woord krijgt hierdoor wel een ironische betekenis) dat het boek in de boekhandel verkrijgbaar zou zijn. Hopelijk bestelt een bibliotheek ergens in den lande dit rapport. In ieder geval zal ik binnenkort gaan checken of het rapport verkrijgbaar is via de bibliotheek. Het rapport zal ook in het Duits vertaald worden. Na de hoorzitting had ik de gelegenheid het eindrapport even in te zien en wat opviel was dat de commissie Van Baarda niet op de hoogte schijnt te zijn van de vele kritische publikaties die met name in Duitsland zijn verschenen (ook niet van kritische publikaties van de eigen antroposofische zijde overigens). Te geringe kennis van de Duitse taal zal waarschijnlijk toch niet de reden zijn geweest voor deze lacune. In 1985 schreven Gjalt Zondergeld en Evert van der Tuin al over het boek ‘Antroposofie ter discussie’: “Met behulp van antroposofische bijgeloofsartikelen als karma, reïncarnatie en helderziendheid van Steiner wordt dan ook getracht de hoogstaandheid van de beweging en zijn grondlegger overeind te houden. Dat in de argumentatie dat volstrekt onbewezen bijgeloof zo’n belangrijke rol speelt, zal het boek buiten eigen kring weinig overtuigend en serieus doen overkomen. Kennelijk is het toch vooral voor de eigen parochie geschreven” (’t Kan Anders, 1985-3). Met dit verschil dat de antroposofen nu offensief de maatschappelijke discussie willen sturen of beter gezegd doen verstommen. In twee gevallen is het ze al gelukt.

Het geval van het kort geding tegen De Groene Amsterdammer staat trouwens niet op zichzelf. In verschillende delen van Europa zijn de antroposofen bezig om critici juridisch te vervolgen. Het programma ‘Report’ van de ARD dat op 28 februari jongstleden een kritische uitzending wijdde aan de Vrije Scholen in Duitsland kreeg ook te maken met de advocaten van de antroposofen. In België procedeerde de Belgische Antroposofische Vereniging tegen een brochure van de Franstalige gemeenschap. In Frankrijk werd de voorzitter van de parlementaire commissie om de financiële handel en wandel van sekten te onderzoeken door hen voor het gerecht gedaagd. Maar ook in de Verenigde Staten staan de Vrije Scholen aan zware kritiek bloot. Het is duidelijk dat de antroposofen verveeld zitten met al die negatieve aandacht voor Rudolf Steiner en de antroposofie. Ze hebben nu voor een offensieve juridische strategie gekozen die veel weg heeft van de strategie die Scientology jaren geleden ook volgde. Het is te hopen dat hun pogingen tot intimidatie van critici en manipulatie van de publieke opinie op niets zullen uitlopen.

Het citaat bovenaan dit artikel komt uit: ‘Zweiter Vortrag, 13 juni 1921’ in Rudolf Steiner, “Menschenerkenntnis als Grundlage der Pädagogik” (Taschenbücher 657) p. 28. Geciteerd in: Guido & Michael Grandt, “Waldorfconnection: Rudolf Steiner und die Anthroposophie” (Aschaffenburg: 2e Aufl. Alibri 1999) p. 356. Alle vertalingen uit het Duits door de auteur. Voor de liefhebbers de originele tekst: “Allmählich wird der Kopf durch die Geisteswissenschaft ganz außer Gebrauch gesetzt.”

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 345, 2 juni 2000

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in