Home Racisme De ongezonde hokjesgeest van Midas Dekkers

De ongezonde hokjesgeest van Midas Dekkers

1
De ongezonde hokjesgeest van Midas Dekkers

Het is voor de bekende bioloog Midas Dekkers erg belangrijk om mensen in te kunnen delen (hij noemt het zelfs een basisbehoefte van de mens), vandaar ook dat hij de vraag wat loopt daar? en niet wie loopt daar? centraal stelt in zijn recent verschenen boek. Dekkers ziet geen menselijk individu lopen, maar een vertegenwoordiger van een groep, of zoals hijzelf stelt: een ‘ras’. Hij wist natuurlijk dat zijn ideeën niet onomstreden zouden worden ontvangen, maar als “vakman” kon hij eenvoudigweg niet langer aanzien dat centrale inzichten van zijn discipline onder het tapijt werden geveegd. Mensen spreken vrijuit over rassen als het over honden, paarden of gewassen gaat, maar waarom zou de wetenschap moeten zwijgen als het over mensen – volgens Dekkers een diersoort als alle andere – gaat?  Er is volgens hem sprake van een wetenschapsvijandige politieke correctheid die een bedreiging vormt voor de toekomst van de mensheid. Midas Dekkers besloot dus naar eigen zeggen uit liefde voor de menselijke diversiteit niet langer te zwijgen en ging in naam van de wetenschap het gevecht aan met een gevaarlijke ideologie die stelt dat er helemaal geen mensenrassen bestaan. Hij pleit voor een ‘gezonde hokjesgeest’. Of steekt er wat anders achter?

Ondanks de van hem welbekende mix van wijdlopige anekdotes, onnavolgbare kwinkslagen en krankzinnige analogieën met de dierenwereld, heeft Dekkers toch ook nog eens af en toe wat serieuze, wetenschappelijk aandoende uitspraken. Zo beweert hij dat de klassieke taxonomieën van de mensheid van de Zweedse botanicus Carl von Linné (1707-1778) en de Duitse anatoom Johann Friedrich Blumenbach (1752-1840) geen uitdrukking waren van een hiërarchisch en eurocentrisch wereldbeeld. Zij wilden slechts orde scheppen in een chaotische en onoverzichtelijke wereld, net zoals Dekkers dat zo graag wil. Weliswaar vond Von Linné de Sami (Lappen) dan wel “achterlijk” (p. 178) en waren bijvoorbeeld zwarten “berustende slappelingen” (p. 250), maar Von Linné “was zich van geen kwaad bewust” (ibid.), dus kan er dan volgens Dekkers blijkbaar van racisme geen sprake zijn. Net zoals het indelen van volkeren als de Khoi en San (‘Hottentotten’ en ‘Bosjesmannen’) bij de ondersoort Homo monstrosus door Von Linné waarschijnlijk geheel en al waardenvrij – en objectief wetenschappelijk – is volgens Dekkers. Er was overigens bij Von Linné ook nog sprake van de Homo ferus en de Homo troglodytes, maar daar hebben we daarna nauwelijks nog iets van vernomen. De indeling van Von Linné was geenszins op observatie gebaseerd en hij ontleende het merendeel van zijn data voor Systema Naturae aan reisverhalen van anderen. Het was grotendeels een product van zijn fantasie.

Joods ras

Alhoewel Dekkers zelf het bestaan van een Joods ras gelukkig naar het rijk der fabelen verwijst, was zijn illustere voorbeeld Blumenbach er van overtuigd dat het Joodse ‘ras’ een speciale plaats innam in zijn nieuwere taxonomie in De generis humani varietate nativa (1775). Diens taxonomie ligt overigens ten grondslag aan de rassenindeling die men nog steeds hanteert in de Verenigde Staten (sowieso het Walhalla van de rassenkunde). Blumenbach kwam tot de benaming Kaukasisch ras  vanwege esthetische reden, een schedel van een vrouw uit Georgië vond hij zo mooi dat hij de Kaukasus aanwees als oorsprong van het witte ras. Uit het witte ras waren overigens alle rassen ontsproten, de andere rassen waren slechts variëteiten van het oorspronkelijke witte ras van Adam en Eva. Niet echt opvattingen die vandaag de dag nog als robuuste wetenschappelijke inzichten gelden, maar dat deert Dekkers niet. Er moet nu eenmaal orde zijn. Als racisme inderdaad louter biologische wortels heeft (‘ras’), hoe zit het dan met het antisemitisme? Heeft dat dan ook biologische wortels? Hoe verklaart Dekkers het antisemitisme dat zoveel leed heeft veroorzaakt? Hij erkent immers voor racisme geen andere verklaringsmodel dan biologische wortels. Een kleine glimp van het inzicht dat zijn verklaring tekortschiet valt te ontwaren als Dekkers moet erkennen dat “veel van de Joodse trekken tot een aangeleerd stereotype [horen] (mijn cursivering, p. 188). Let wel: veel, blijkbaar toch niet alle.

Dekkers ontkent de invloed van cultuur op menselijk gedrag. “De geest is gewoon een uiting van het lichaam” (p. 253). Over vooroordelen weet Dekkers nog te melden dat “zonder vooroordelen heel het sociale mechaniek vast [loopt]” (p. 199) en dat het” bevestigen van een vooroordeel een intens genoegen [is]” (ibid.). De Joden vormen dan weliswaar geen ‘ras’ volgens Dekkers, maar dat weerhoudt hem er niet van om het volgende op te schrijven: “[u]iterlijk zijn de Asjkenazische Joden veelal te herkennen aan hun lichtere haar, maar ook inwendig zijn er verschillen. Zo lijden de Asjkenazim aan een elders zeldzame erfelijke ziekte, de torsion dystonia, die is terug te voeren op een enkele mutatie in Polen van 1650″ (p. 188). Blijkbaar delen Asjkenazim volgens Dekkers dezelfde genetische opmaak, maar wil hij dat toch geen ‘ras’ noemen, terwijl hij voor mensen met minder genetische verwantschap daar niet voor terugschrikt. Van de positie van de Joden in de raciale classificatie van Hans F.K. Günther (1891-1968) heeft Dekkers niet zo heel erg veel begrepen.

De biologische wortels van het racisme

Dekkers wijst er verschillende keren op hoe belangrijk rassenkunde is om racisme te kunnen bestrijden. Ook hier komt hij weer niet veel verder dan een analogie met seksisme en met verschillende dieren. Dekkers heeft overigens geen enkele moeite met seksisme, want vrouwen dienen naar zijn mening minder te verdienen dan mannen en sowieso moeten ze geweerd worden uit leidinggevende functies omdat ze tijdens de menstruatie niet productief of voor rede vatbaar zouden zijn als gevolg van hun hormonen. Dit verkondigde hij zonder blikken of blozen tijdens verschillende optredens op televisie in Nederland en België.

Voor Dekkers staat onomstotelijk vast dat er verschillende mensenrassen bestaan, voornamelijk gebaseerd op huidskleur. Het blijft onduidelijk hoeveel rassen er volgens Dekkers nu precies zijn, maar het minimumaantal is volgens hem toch wel drie: wit, zwart en geel. Weliswaar zijn dat in het echte leven eigenlijk allemaal schakeringen van bruin en men had net zo goed de kleuren rood en blauw kunnen nemen, maar toch moeten er onderscheid gemaakt worden tussen de mensenrassen uit lijfsbehoud. Het niet willen onderkennen van raciale verschillen leidt volgens Dekkers tot levensbedreigende toestanden bij orgaantransplantatie. De bestaande medische wetenschap doet dan zeker ten onrechte alsof dat van geen enkel belang is, want ‘ras’ wordt nergens geregistreerd bij orgaandonatie.

Dekkers citeert veel en uitvoerig, maar helaas maakt hij het de lezer niet erg gemakkelijk om de bron er van te vinden. De summiere bibliografie aan het einde van het boek geeft slechts enkele titels. Zo citeert hij de antropologe Amade M’charek maar er staat geen enkele titel in de bibliografie. Hij beweert: “[Amade M’charek] is voorstander van etnische registratie in de medische wetenschap en zorg” (p. 240). Dat is opvallend want zij verklaarde daar zelf over in een interview: “Ik ben vaak gevraagd om mee te denken over etnische registratie in relatie tot ziekte, maar daar heb ik me altijd tegen verzet.” En gevraagd naar haar mening over zijn boek zei ze: “In de 19de eeuw zijn de fysisch antropologen echt voluit aan het passen en meten geweest om mensen in raciale typen in te delen. Dat is een hopeloze onderneming gebleken. Er zijn gewoon geen duidelijke raciale typen. Iets wat ook genetici hebben geconstateerd: mensen zijn moeilijk in hokjes te plaatsen en als je het doet levert het bijna altijd ook grote problemen op. Ik denk niet dat het verstandig om de enorme kennis die we in de 20ste eeuw hebben verzameld naast je neer te leggen. Biologische verschillen doen ertoe en het is belangrijk die te benoemen, maar die zijn niet onder de noemer ras te vangen. Het werkt eerder belemmerend en het verblindt.”

Fysische antropologie

Dekkers meent dat de fysische antropologie (antropobiologie, biologische antropologie) na de Tweede Wereldoorlog werd afgeschaft. Toch is niets minder waar, alleen wendde deze tak van wetenschap zich af van wat voor Dekkers de enige reden van bestaan is van deze discipline: het onderzoek naar de diversiteit van de menselijke soort onder de noemer van ‘ras’. Het bleek een onbruikbaar en onwetenschappelijk concept te zijn. Ook Dekkers verstrikt zich in allerlei tegenspraken als hij het heeft over raciale eigenschappen van groepen mensen. Zo bespreekt hij achtereenvolgens de menselijke variëteit op het gebied van bloed, haar, muzikaliteit, geur, intelligentie en (crimineel) gedrag. Maar wat vooral opvalt is zijn inconsistentie, op de ene pagina beweert hij nog met veel aplomb dat ‘ras’ “niet alleen vanbuiten [zit]. Onderhuids is het in het bloed te herkennen, aan de gezondheid van de organen en aan het DNA in elke cel” (p. 249). Om op een andere pagina het tegenovergestelde te beweren. “[D]at wil niet zeggen dat bloedgroepen altijd met een ras of volk samenvallen. Bij elk volk kun je alle vier de groepen vinden; wat verschilt zijn de verhoudingen” (p. 235).

Het is niet de eerste en enige keer dat hij zichzelf flink tegenspreekt. Zo beweert hij ook dat “[de fysische antropologie] zoekt naar de erfelijke verschillen tussen groepen. Die zijn er zeker” (p. 41). Maar één pagina verder schrijft hij: “Veel genetici denken dat mensenrassen […] weinig verschillen en daarom beter opgeheven kunnen worden. Dat krijg je als je bijziend naar de chromosomen tuurt en vergeet af en toe een stap terug te doen om de hele mens te beschouwen. Dat is de taak van de antropoloog” (p. 42). De fysische antropologie moet dus volgens Dekkers zoeken naar genetische verschillen die er volgens de laatste inzichten van de moderne genetica helemaal niet zijn.

Antiracisme als Ideologie

Volgens Dekkers zijn moderne genetici en antropologen het slachtoffer van een politieke ideologie die het onderzoek naar de verschillen tussen de verschillende mensenrassen taboe heeft verklaard. Deze politieke correctheid belemmert het objectieve, wetenschappelijke onderzoek vanwege een verkeerd begrepen moralisme. Het afschaffen van het begrip ‘ras’ zou volgens deze ideologie vanzelf leiden tot het einde van het racisme in de samenleving. Dekkers is het hier niet mee eens, hij wordt er zelfs boos om. Racisme eindigt volgens hem pas als de mensheid niet bang meer is om de verschillen tussen de verschillende mensenrassen te benoemen en ze te aanvaarden als een natuurlijk gegeven. Weliswaar zijn er in het verleden fouten gemaakt, maar dat lag volgens Dekkers niet aan de rassenkunde (behalve dan misschien een beetje wat betreft de opdeling van het witte ras in Joden en ariërs).

Het klinkt allemaal erg als een complotfantasie die nu erg populair is in bepaalde extreemrechtse kringen in Europa en de Verenigde Staten. Hoewel Dekkers zich distantieert van het nationaalsocialisme en andere racistische stromingen, komt zijn pleidooi voor een nieuwe rassenkunde soms toch wel akelig dicht in de buurt van dergelijke ideeën. Het zal dan ook geen toeval zijn dat veel van de ideeën van Dekkers te herleiden zijn tot de gedachtewereld van Konrad Lorenz (1903-1989), die door Dekkers in een recent interview zelfs “dé bioloog van de vorige eeuw” werd genoemd. Dekkers verwijst veelvuldig naar het werk en de concepten van deze Oostenrijkse Nobelprijswinnaar, maar diens houding ten tijde van het Derde Rijk komt bij hem nooit ter sprake. Lorenz was namelijk een enthousiaste nationaalsocialist en hij stak aan het einde van zijn leven zijn waardering voor extreemrechtse opvattingen niet onder stoelen of banken. Zo behoorde hij tot het comité van aanbeveling van het Franse extreemrechtse tijdschrift Nouvelle École. Een tijdschrift waarin overigens de rassenleer van Hans F.K. Günther ook vaak lovend werd aangehaald.

Er is dus alle reden om kritische afstand te houden tot de bruine ideeënwereld van Konrad Lorenz. Helaas blijkt Midas Dekkers daar niet toe in staat. Het gevaar bestaat dat door zijn boek allerlei obscure en gevaarlijke pseudowetenschappelijke theorieën weer aan aanhang gaan winnen. Helaas blijkt deze “vakman” vooral ideeën te verspreiden die al langer dan driekwart eeuw terecht in diskrediet zijn gebracht. Op wetenschappelijke, maar zeker ook op politieke en morele gronden is een heropleving van de rassenkunde volstrekt onwenselijk. Dekkers ontpopt zich in dit boek eerder als een borreltafelbioloog dan als een vakman.

Peter Zegers

Midas Dekkers, Wat loopt daar? Een biologische kijk op rassen.
Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen 2021

Naschrift 28 februari 2022:

In Lief dier. Over bestialiteit (1994) verwijst Midas Dekkers op pagina 70 instemmend naar een studie van Konrad Lorenz uit 1943. In de bibliografie wordt echter geen enkele titel van Lorenz vermeld. Enig zoekwerk op internet levert op dat het hier gaat om Die angeborenen Formen möglicher Erfahrung, gepubliceerd in Lorenz’ eigen Zeitschrift für Tierpsychologie (jaargang 5, nummer 2). Een typerend citaat uit dit artikel:

„Die Verfallstypen durchsetzen Volk und Staat dank ihrer größeren Vermehrungsquote und ihren vergröberten Wettbewerbsmethoden dem Artgenossen gegenüber in kürzester Zeit und bringen beiden aus analogen biologischen Gründen den Untergang, aus denen die ebenfalls asozialen Zellen einer Krebsgeschwulst das Gefüge des Zellstaates zugrunde richten.“

In het artikel heeft Lorenz het over rassen, rassenhygiëne en een “bewuste, wetenschappelijke rassenpolitiek.” Daar heeft Dekkers waarschijnlijk overheen gelezen.

Klaus Taschwer & Benedikt Föger, “Die andere Seite des Spiegels. Konrad Lorenz und der Nationalsozialismus” (2001). “Erstmals liegt nun eine detaillierte Aufarbeitung der NS-Verstrickungen des renommierten Verhaltensforschers und Nobelpreisträgers vor.”

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in