Home Antisemitisme Het grote witte verdriet. “Grote vervanging”, autopsie van een fantasie

Het grote witte verdriet. “Grote vervanging”, autopsie van een fantasie

0
Het grote witte verdriet. “Grote vervanging”, autopsie van een fantasie

Door Gaston Crémieux

Met toestemming van de auteur vertaald uit het Frans. Het origineel verscheen op 23 februari 2022 in Franc-Tireur #15 en is hier te raadplegen: Le Grand mal blanc (PZ)

De schrijver Renaud Camus, die lange tijd als een linkse beeldenstormer werd beschouwd, wil ons doen geloven dat zijn idee van de “Grote Vervanging” voortkwam uit een openbaring: de vaststelling dat een bevolking “geheel veranderd” was. In werkelijkheid is deze angst geworteld in de theorieën van Amerikaanse supremacisten en Frans Nieuw Rechts. Een bedrog dat vandaag door Éric Zemmour en al diegenen die rechts willen radicaliseren, wordt overgenomen.

Ongeveer vijftien jaar geleden werd ik getroffen door dit verschijnsel en bedacht ik de uitdrukking.” Dat is, volgens Renaud Camus, de officiële ontstaansgeschiedenis van de ideologie van de “Grote Vervanging“: een soort openbaring. Dat is wat de avant-gardistische schrijver en homo-icoon, die ooit dicht bij Roland Barthes en Louis Aragon stond, ons wil doen geloven. Hij zegt deze Grote Vervanging te hebben opgemerkt in Lunel, een stadje in de Hérault dat weldra door radicalisering zou worden geteisterd: “De bevolking was in één generatie totaal veranderd […] het waren niet meer dezelfde mensen in de etalages en op de trottoirs […] er had zich een verandering voorgedaan op de plaatsen van mijn cultuur en beschaving, ik wandelde in een andere cultuur en een andere beschaving.” In één zin bespeuren we de essentie van het mechanisme: het persoonlijke sentiment  dat iemand (of iets) een ander volk in de plaats stelt van het Franse volk, wordt verheven tot een algemeen cultureel en civilisatorisch fenomeen.

Het duurde vijftien jaar om deze openbaring te vertalen naar een boek, Le Grand Remplacement, dat gepubliceerd werd in 2011. Ondertussen, tien jaar eerder, was er een ander boek dat de aanzet gaf tot de “Camus-affaire“: La Campagne de France. Daarin ergerde de schrijver, die nog steeds unaniem als een man van links werd beschouwd, zich “om te zien en te horen dat deze ervaring, deze cultuur en deze beschaving [Fransen] als hun belangrijkste woordvoerders een meerderheid van Joden hebben […], vaak Fransen van de eerste of tweede generatie, die niet rechtstreeks deelnemen aan deze ervaring“. Hij betreurde het dat hun standpunt “de oude stem van de Franse cultuur vervangt” en zelfs “verdrukt.

Deze uitlatingen, onthuld door Marc Weitzmann in Les Inrocks, hebben de Franse literaire en politieke wereld in beroering gebracht, maar er was een linkse intelligentsia die Camus verdedigde in naam van de literatuur en de vrijheid van meningsuiting. Vooraanstaande stemmen als Emmanuel Carrère en Alain Finkielkraut vonden de beledigende zinnen “onsympathiek en zelfs ronduit onaangenaam“, maar de beschuldiging van antisemitisme leek “absoluut ongegrond“. Volgens hen hadden zijn tegenstanders hem niet gelezen. Het tegendeel is eerder waar. Het lezen van Camus zou juist hen meer inzicht hebben verschaft.

Eeuwige vreemden

Een nadere bestudering van het boek had gerede twijfel moeten oproepen. Het motief van de onmogelijke assimilatie van bepaalde bevolkingsgroepen – de verwarring tussen etniciteit, religie en cultuur – wordt over moslims met nog minder omzichtigheid verkondigd dan over joden: “Ik heb de grootste moeite me voor te stellen dat etnische moslims […] volledig Frans kunnen zijn. […] Moslims zullen zich altijd een beetje vreemd blijven voelen, ben ik bang. Nee, ik ben er niet bang voor, ik wens het. In Du sens (2002) neemt Camus deze passage maar half voor zijn rekening en ordent hij zijn onverantwoordelijkheid methodisch door te stellen dat wat hij in zijn dagboek schreef noodzakelijkerwijs dubbelzinnig was, waarbij hij zelfs zo ver gaat dat hij om te ontkennen dat “een zin een zin is“. Zijn ophemelaars noemen dit hoogdravend “de spiralen van betekenis“. Prozaïscher gezegd heet het “rubbertaal”, waarvoor Camus onberispelijk het door de filosoof Cornelius Castoriadis vastgestelde recept toepast: “Men probeert zijn maagdelijkheid te herwinnen […]. Men probeert het publiek een nieuwe partij halve waarheden of onwaarheden te laten slikken. Zij proberen de scherpte van ideeën af te zwakken, ze te bagatelliseren, ze te verdunnen tot onbeduidendheid.”

Tegenover deze literaire en intellectuele rookgordijnen stellen wij dat een zin een zin is en dat het racisme in het werk van Camus systematisch is: het antisemitisme van La Campagne de France (Camus spreekt zelfs van het “joodse ras“), ook al wordt het ontkend, maakt deel uit van een algemener racisme, dat ook voor moslims geldt, en waarvan de culturele onderbouwing zijn etnische of zelfs biologische vooronderstellingen nauwelijks verhult.

De bronnen van het biologische racisme

Om hiervan overtuigd te raken, hoeft men alleen maar te lezen wat Camus schrijft uit het begin van de jaren tachtig. In het bijzonder in Buena Vista Park, dat verhaalt over een Amerikaans verblijf tien jaar eerder. Te midden van verschillende aforismen en essays over het taalniveau, ontdekt men enkele merkwaardige overwegingen: “We zouden niet veel tijd verliezen in de strijd tegen de verschillende vormen van racisme als we zouden toegeven dat misschien een meerderheid van de racistische uitspraken waar is: ja, de criminaliteit is hoger onder arbeidsmigranten, ja, joden hebben een grotere neiging om paranoïde te zijn […]. Toen ik lesgaf aan een hogeschool in het Zuiden, in de Verenigde Staten, gaven de weinige zwarte studenten die toelieten dat de hogeschool zich als geïntegreerd kon bestempelen, er als groep alle schijn van minder intelligent te zijn: hun aandachtspanne, hun associatievermogen, hun woordenschat waren veel geringer dan die van blanken.” Naast het reeds uitgesproken antisemitisme bevat dit artikel ook een zeer specifieke vorm van racisme die destijds in de Verenigde Staten zeer aanwezig was, een “wetenschappelijk” racisme dat volgens hem gebaseerd was op de verschillen in IQ tussen zwarten en blanken.

Het is opvallend om in de geschriften van Camus een ideologie te vinden die in die tijd door weinigen werd uitgedragen, en zeker niet door links. Dit biologisch racisme bloeide binnen Nieuw Rechts, een Franse intellectuele stroming die voortkwam uit fascistische groeperingen en sinds het einde van de jaren zestig bezig was met een grootscheepse rehabilitatie van het inegalitaire denken. In de jaren zeventig maakten zij van de gelegenheid gebruik om het racisme nieuw leven in te blazen door zich te beroepen op de biowetenschappen, maar ook op de differentiële psychologie van de intelligentie en op vergelijkende studies van de resultaten van IQ-tests, in direct contact met het Amerikaanse discours. Heeft Camus ze gelezen?

Zijn boeken laten niet toe de invloed van deze ideologische stroming op de theoreticus van de Grote Vervanging precies te dateren, maar zeker is dat Alain de Benoist, de belangrijkste architect van Nieuw Rechts, in het begin van de jaren negentig genoemd wordt. Het boek Penser l’antiracisme (1999) van de Club de l’horloge, de meest constante politieke incarnatie van Nieuw Rechts, maakt deel uit van de bibliografie die essentieel wordt geacht voor het schrijven van Du Sens, waarin Camus zijn critici antwoordt.

Waarom blijven we stilstaan bij deze nabijheid van Nieuw Rechts? Omdat het de legende deconstrueert van een linkse schrijver die wordt gegrepen door racistische ideeën wanneer hij in contact komt met de werkelijkheid. Camus zelf waarschuwde zijn lezers al in 1987 in Journal romain, en niet zonder cynisme: “Ik ben verplicht om ‘links te stemmen’, want als ik een ‘man van rechts’ zou zijn, zouden mijn meningen zo reactionair zijn dat ze ondraaglijk zouden zijn; terwijl ik op deze manier een beetje beschermd ben“. Maar bovenal is Camus’ intellectuele schuld aan Nieuw Rechts bij de opbouw van de ideologie van de Grote Vervanging enorm: de voornaamste ideeën die de ruggengraat ervan vormen (en de intellectuele technieken die gebruikt worden om deze ideeën aanvaardbaar te maken) werden door deze stroming bedacht en geformuleerd lang voordat ze door Camus zelf werden overgenomen en versterkt.

In die zin stelde Guillaume Faye, theoreticus van Nieuw Rechts en peetvader van deze “nieuw-rechtse” scène, in 1999 al dat “de Europese antropologische basis werd bedreigd en bijgevolg onze hele beschaving: een bezette Aarde en een Volk dat zijn generaties niet meer vernieuwt en op zijn bodem wordt vervangen door de nakomelingen van andere volkeren“. In hetzelfde jaar vinden we soortgelijke thema’s terug bij Jean-Yves Le Gallou, een steunpilaar van Nieuw Rechts, die in 1999 veel bijval kreeg op het oprichtingscongres van Bruno Mégret’s Mouvement national républicain (MNR), toen hij sprak over “het recht van de Franse en andere Europese volkeren om zichzelf te blijven zonder te worden binnengevallen en gekoloniseerd door een onophoudelijke immigratie die het wezen van het volk verandert.

Een succesvolle mystificatie

Zich bewust van het feit dat biologisch racisme niet onomwonden kan worden geventileerd in een democratische samenleving, hebben deze theoretici van Nieuw Rechts vanaf de jaren tachtig een neo-racisme uitgevonden, dat door de politicoloog Pierre-André Taguieff omschreven wordt als “de verplaatsing van het raciale naar het culturele en de vervanging van de verabsolutering van verschil voor de bevestiging van ongelijkheid.” Deze wisseltruc is te vinden als zodanig te vinden bij Camus, waar het culturele het biologische maskeert: “Een volk […] is ook een ras: waarmee ik minder een hypothetische gemeenschap of biologische verwantschap bedoel dan een lange gedeelde geschiedenis; meer cultuur, meer erfgoed dan erfelijkheid. Ik zou er verlangen, wil en liefde aan toevoegen.”

Laat er geen misverstand over bestaan: net als bij Nieuw Rechts komen de biologische metaforen heel snel terug in de schrijfsels van Camus: “De ecologen, die strijden […] voor het behoud of herstel van de biodiversiteit in de wereld, lijken de mens van deze eis af te houden, en hem ervan uit te sluiten.” Daarbij komt, zoals bij de denkers van Nieuw Rechts, een radicale verdediging van het behoud van diversiteit, een racisme dat paradoxaal genoeg “heterofiel” is: “Vreemdeling zijn, is in mijn ogen, zich van meet af aan presenteren als een verhaal, getooid met de prestiges en verleidingen van de afstandelijkheid van het verschil” of “Ik ben vurig xenofiel.

In de jaren tachtig werd Nieuw Rechts in deze mystificatie geholpen door twintig jaar lofprijzingen voor verschillen ter linkerzijde, van Albert Jacquard tot SOS Racisme. Camus surft ook op zalig multiculturalisme als hij profiteert van de rehabilitatie van het racialisme door het intersectionele discours, dat hij duidelijk verwelkomt: “Wij bekritiseren extreem links, de BLM [Black Lives Matter], de islamogauchisten, maar zij zijn degenen die ons uit deze belachelijke antiracistische en pseudowetenschappelijke parenthese zullen hebben gehaald volgens welke rassen niet bestaan.”

De “Camusiaanse” mystificatie werkte tot de oproep om op Le Pen te stemmen in 2012. Toen stortte de fictie in dat hij vooral een schrijver was en geen ideoloog, een man van links en geen extreemrechtse activist, en zijn voornaamste aanhangers uit Saint-Germain-des-Prés* lieten hem in de steek. Hadden ze hem echt gelezen? Het was toch al te laat: gelanceerd, voegde Camus twee nieuwe pijlen aan zijn boog toe om het internationale succes van de ideologie van de grote vervanging te verzekeren. Aansluitend bij een opkomend discours in Westers extreemrechts, sprak Camus niet alleen van een invasie, hij sprak van “genocide door substitutie” (een opzettelijke referentie aan Aimé Césaire) van “misdaad tegen de menselijkheid in de 21ste eeuw“. Door de ontlening aan de theorieën van de Amerikaanse neonazi David Lane over de “genocide van de blanken“, was hij in staat de aanhangers van zijn neoracisme te classificeren als “verzetsstrijders” en degenen die zich ertegen verzetten in naam van het universalistische antiracisme als “collaborateurs“, of zelfs als een “negationistisch-genocidaal blok.

Dit is de andere vernieuwing van Camus: de ideologie van de Grote Vervanging veronderstelt actieve krachten om de vervanging te laten plaatsvinden. Met andere woorden, er zijn vervangers, substituten, maar ook “diegenen die vervangen“. Voor Camus is de invasie het werk van een “vervangende macht“, bestaande uit globalistische, “davocratische“** elites die het volk willen veranderen. Vanaf die tijd vertaald en overgenomen op de sociale netwerken van de westerse alt-right, wordt de ideologie van de Grote Vervanging ook overgenomen door politieke leiders zoals Geert Wilders (leider van de nationalistische PVV) in Nederland of Matteo Salvini (federaal secretaris van de Lega, identitaristisch) in Italië. Het is het ideologische motief geworden voor extreemrechtse terroristische aanslagen: die op Christchurch in Nieuw-Zeeland (51 doden) gepleegd door Brenton Tarrant die voor zijn misdaad een manifest met de titel The Great Replacement had gepubliceerd, die op El Paso in Texas (23 doden), die op de synagoge van Poway in Californië (één dode). Terugkerend naar de Verenigde Staten, waar ze haar oorsprong vindt, stond de ideologie van de Grote Vervanging ook centraal tijdens de witte supremacistische demonstratie in Charlottesville (Virginia) in 2017, waar deze slogans werden uitgevonden: “Jullie zullen ons niet vervangen” of het meer antisemitische “Joden zullen ons niet vervangen.

De politicoloog Nicolas Lebourg is van mening dat het internationale succes van de ideologie van de Grote Vervanging te danken is aan de afzwakking van het antisemitisme, dat tot nu toe zeer overheersend was in theorieën over de “blanke genocide“. Is dit wel zo zeker? Het is waar dat de affaire Camus hem ertoe bracht een aanval te doen op het filosemitisme om zijn media- en intellectuele aura te behouden. Toen het echter nodig was om in november 2018 een synthese van de theorie van de Grote Vervanging rechtstreeks in het Engels te schrijven voor het Amerikaanse publiek, noemde Camus het You Will Not Replace Us! als een knipoog naar de relschoppers van Charlottesville, en begon hij opnieuw in minder vriendelijke bewoordingen over Joden te spreken.

“Soros is, natuurlijk, Joods…”

Eerst bekritiseerde hij een verlammende herinnering aan de Shoah, waardoor blanken zich volgens hem niet konden verdedigen tegen de komende vermeende genocide: “Een eerste genocide, die op de Joden, heeft door haar gruwelijkheid en enormiteit taal en denken in het Westen in zo’n verwarring en wanorde gebracht dat zij geen bescherming bieden tegen een tweede, weliswaar heel andere, genocide op blanken“. Vervolgens door de Joden de schuld te geven van de grote vervanging: “Sommigen geven de Joden de schuld, anderen de Europese Unie, weer anderen denken dat Wall Street of het IMF volledig verantwoordelijk zijn. Er kan enige waarheid schuilen in elk van deze hypothesen“, of nog: “Soros is natuurlijk Joods, en hij speelt een essentiële rol in het wereldwijde vervangingsdenken, net als, op kleinere schaal en met veel beperktere middelen, een aantal Joodse intellectuelen, journalisten, columnisten of schrijvers, die in hun tijd vurige pleitbezorgers waren van massa-immigratie, of massamigratie.”

Het is nog duidelijker in een recente korte tekst in het Frans, Le Mot “race” (sic), waar hij uitlegt dat president Valéry Giscard d’Estaing hem gezegd zou hebben dat “omdat de Joden in Frankrijk nerveus werden, tijdens zijn presidentschap, [… …] om hen te sussen, […] werden al die absurde wetten aangenomen […] ze begonnen te zeggen […] dat er geen rassen bestaan, wat absurd is, maar ze hielden eraan vast, waarschijnlijk uit angst om geïsoleerd te worden“. En Camus benadrukt vervolgens door uit te leggen dat “volgens Finkielkraut de behoefte om de Joden te behagen zeer aanwezig was in de geest van Giscard, want dezelfde Giscard zou hem, Finkielkraut, die hem ondervroeg over gezinshereniging, verteld hebben dat deze maatregel genomen was om Simone Veil te behagen.” Ondanks de ultieme koketterie om zijn eigen gedachten in de mond van Valéry Giscard d’Estaing en Finkielkraut te leggen, ondanks jaren van negeren en ontkennen, duikt het antisemitisme van Camus met opmerkelijke standvastigheid weer op.

In al haar onderdelen kan de ideologie van de Grote Vervanging weer terugkeren naar Frankrijk en zich daar verspreiden. Men hoeft maar te kijken naar de samenstelling van de Nationale Raad van het Europese Verzet, mede opgericht door Renaud Camus in 2017, om zijn netwerken te identificeren: Nieuw Rechts met Jean-Yves Le Gallou, de identitaristen met Damien Rieu en de militairen met de generaals Martinez en Piquemal, ondertekenaars van de befaamde “Tribune des généraux” van 2021. De ultrarechtse media in Frankrijk zijn ook formidabele megafoons: naast de traditionele Radio Courtoisie zijn dat TV Libertés, Boulevard Voltaire, bedacht door Robert Ménard, de identitaire media Fdesouche en het vlaggenschip CNews, waar Ivan Rioufol Camus heeft uitgenodigd. Deze ideologie bezielt nu rechts en extreemrechts, van de door de autoriteiten ontmantelde putschistische groep Action des forces opérationnelles, die wilde optreden in naam van een “echte Grote Vervanging, overal zichtbaar in Frankrijk en Europa“, tot de versie soft belichaamd door Valérie Pécresse, die tijdens haar laatste bijeenkomst met luide stem verklaarde: “Geen fataliteit, noch aan de grote neergang, noch aan de Grote Vervanging.

In het middelpunt van dit spel staat Éric Zemmour. Hij citeert de grote vervanger een tiental keer in zijn laatste boek en stelt zijn ontmoeting met Camus zo voor: “Wij stellen dezelfde diagnose van wat hij noemde met een formule die ik de mijne maak ‘de grote vervanging’. Het is alsof ik in 1942 […] een verzetsstrijder had ontmoet.” Camus bewees hem een dienst door zijn kandidatuur te steunen tijdens zijn eerste optreden op CNews en door zijn hele netwerk te mobiliseren, dat vandaag sleutelposities inneemt in het organigram van Reconquête. De instemming met de stellingen van de Grote Vervanging lijkt een even geloofwaardige reden als de vijandschap met de clan Le Pen om zijn vertrek van Rassemblement National naar Reconquête te verklaren. In een extra rondreis met de Verenigde Staten heeft Zemmour de ideologie van de Grote Vervanging tot het centrale element van zijn kandidatuur gemaakt. Dat horen we in zijn toespraak in Lille, die hij als bij toeval afsluit met de antisemitische slogan van de relschoppers van Charlottesville: “Zij zullen ons niet vervangen.”

Opmerkingen van de vertaler:

  • * Germanopratins heeft in Frankrijk ongeveer dezelfde lading als in het Nederlands de grachtengordel. De linkse, culturele en intellectuele elite.
  • ** Davocratisch (davocratique) verwijst naar Davos in Zwitserland waar het World Economic Forum jaarlijks haar bijeenkomsten heeft.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in