Elishéva Gottfarstein
Vertaling van: Houria Bouteldja: le sioniste, nouveau Judas
Op YouTube: https://youtu.be/7TK5VsqRsfQ
Sinds 7 oktober structureert en verenigt het antizionisme de voornaamste radicaal-linkse bewegingen. Het doel van dit antizionisme is niet – of niet alleen maar – om steun te betuigen aan de Palestijnen in het licht van de huidige tragedie in Gaza, maar om de staat Israël af te schaffen. In de ogen van deze bewegingen dient deze staat te verdwijnen omdat hij door hen wordt gezien als een product van koloniaal imperialisme. Voor hen is er geen sprake van het bestrijden van de politiek van Netanyahu door bijvoorbeeld de Israëlische oppositie te steunen, net zo min als er sprake is van het veroordelen van de ommekeer die plaatsvond in 1967 toen de politiek van kolonisatie begon. Nee, deze interne elementen van het Israëlische politieke leven en de Israëlische geschiedenis zijn oninteressant voor radicaal-links, dat Israël alleen op een globale manier wil zien – vanaf de oprichting in 1948 tot op de dag van vandaag – en het volledig gelijkstelt aan een koloniale staat, een criminele staat en dus gedoemd is te verdwijnen.
Als gevolg hiervan is het woord zionist in hun lexicon een synoniem geworden voor fascist, imperialist en kolonisator. Desalniettemin is de overgrote meerderheid van de Joden zionist, hoe verschillend verder hun politieke overtuiging ook moge zijn, dat wil zeggen dat ze letterlijk instemmen met het bestaan van Israël als toevluchtsoord, ongeacht welke politiek daar wordt gevoerd. Het horen van openlijke oproepen tot de vernietiging van de enige Joodse staat die in staat is om hen te beschermen tegen verdere uitroeiing bezorgt hen onvermijdelijk een gevoel van grote onveiligheid.
Om de drijvende krachten achter dit linkse antizionisme te begrijpen, moeten we kijken naar een van de belangrijkste theoretici, Houria Bouteldja, want deze essayiste en politiek activiste heeft het antizionisme tot de kern van haar denksysteem gemaakt. Het doel van het volgende artikel is daarom ten eerste om haar analytische kader en het lexicon waarin het wordt gebruikt uit te leggen, en ten tweede om uit te leggen waarom antizionisme de hoeksteen van haar systeem is en waarom Houria Bouteldja zichzelf graag omschrijft als “de minst antisemitische persoon in Frankrijk”.
In 2005 verscheen Bouteldja voor het eerst op het politieke toneel als initiatiefneemster, samen met enkele anderen, van de oproep “Indigènes de la République” waarin ze het voortbestaan van structuren van raciale overheersing uit het koloniale verleden aan de kaak stelde. De groep groeide al snel uit tot een vereniging en vervolgens tot een politieke partij, waar ze enkele jaren de woordvoerster van was. Ze heeft twee essays geschreven en bijgedragen aan een bundel, allemaal gepubliceerd door uitgeverij La Fabrique, waarin ze haar politieke visie op de wereld uiteenzet in de context van het dekoloniale gedachtegoed. Haar activisme heeft ertoe geleid dat ze talrijke lezingen heeft gegeven in radicaal-linkse kringen, die allemaal online beschikbaar zijn. Ze levert ook regelmatig bijdragen aan het participatieve medium Paroles d’honneur, dat activisten uit de dekoloniale en antizionistische beweging samenbrengt. De navolgende analyse is gebaseerd op een zorgvuldige lezing van haar teksten en het aandachtig beluisteren van de merendeel van haar lezingen.

Allereerst dienen we een onderscheid te maken tussen haar twee geschriften: het eerste boek (Les Blancs, les Juifs et nous), gepubliceerd in 2016, is een pamflet, bewust provocatief van toon, waarin ze haar denkcategorieën uitwerkt. Het tweede boek (Beaufs et Barbares) verscheen in 2023, zeven jaar later en in een geheel andere politieke context, na de sociale protesten van de Gilets Jaunes en de derde plaats van Jean-Luc Mélenchon bij de presidentsverkiezingen. De toon van het laatste boek is veel gematigder en het doel ervan is volstrekt anders: deze keer schrijft de auteur een programmatische tekst gericht op de Insoumis, met een duidelijke strategie om aan de macht te komen. Tussen deze twee publicaties kunnen we de ideologische terreinwinst zien die de dekoloniale theoretica binnen radicaal links heeft geboekt: ze is niet langer geïnteresseerd in het creëren van agitatie, maar in het faciliteren van pragmatische allianties.
Wat zijn nu de fundamentele elementen die aan de basis liggen van haar denksysteem?
Houria Bouteldja ontwikkelt een globale visie op de wereld die bovenal anti-imperialistisch is en waarvan volksvijand nummer één het zionisme is. Laten we meteen duidelijk zijn: haar anti-imperialisme is in werkelijkheid een anti-occidentalisme want het beperkt zich tot de Amerikaans-Europese grenzen. Daarbuiten steunt ze onvoorwaardelijk het Russische en Chinese imperialisme en is ze met name gekant tegen elke militaire steun aan Oekraïne.
Het doctrinaire systeem kan worden begrepen aan de hand van een bepaald lexicon.
Ten eerste, de Witten, de Witheid. Hoewel het niet om een biologische categorie gaat, verwijst het voor haar – op een opzettelijk verwarrende en provocerende manier – naar al diegenen die niet te lijden hebben onder discriminatie die is overgeërfd van het kolonialisme, naar de overheersers op de raciale schaal van de geschiedenis. Aan de andere kant van de schaal staan de Indigènes (Inheemsen) of de Barbaren, dat wil zeggen al diegenen in de huidige samenleving die het doelwit zijn van racisme waarvan de structuren en voorstellingen het kolonialisme hebben overleefd. Degenen die in een sociologiserend lexicon eerder worden aangeduid als de geracialiseerden, de mensen die het doelwit zijn van racisme.
“De Witten“ aan de ene kant en ”de Inheemsen“ aan de andere kant zijn de twee componenten van de samenleving die in deze hiërarchie worden gehouden door wat zij het ”raciale pact” noemt: een organische alliantie tussen de staat, de bourgeoisie en het witte proletariaat, permanent verenigd tegen degenen die worden uitgesloten, de Inheemsen.

Zoals we al zagen, zijn deze categorieën niet biologisch; ze zijn gebaseerd op een klassieke omkering van het stigma, dat bestaat uit het zich opnieuw toe-eigenen van de termen van overheersing om de eigen waardigheid te herbevestigen. In het universum van Bouteldja zijn deze categorieën echter duidelijk essentialistisch. Het doel is niet simpelweg om dit jargon te gebruiken om een racistisch continuüm tussen het koloniale tijdperk en het onze aan de kaak te stellen, maar om de geschiedenis extreem te simplificeren door haar te ontdoen van al haar tegenstellingen, spanningen en politieke strijd. Het resultaat is dat Witheid verwijst naar zowel de kolonisatie als de Verklaring van de Rechten van de Mens, naar slavernij én de Republiek die haar afschafte, naar misdaad én zijn tegenovergestelde in een monolithisch gestigmatiseerd, onduidelijk Alles. Uiteindelijk staat bij Houria Bouteldja Wit gelijk aan Misdaad.
Op dezelfde manier worden Inheemsen en Barbaren overdreven geromantiseerd als de belichaming van Goedheid en Schoonheid. Op die manier reactiveert ze op paradoxale wijze de racistische en paternalistische mythe van de “nobele wilde”. Om van de inheemse bevolkingen – de hedendaagse en de historische – onbevlekte archetypes van de mensheid te maken die bezoedeld werden en nog steeds worden door de Westerse moderniteit.
Ze roept op tot een continue terugkeer naar de tradities, codes en waarden van inheemse samenlevingen. Deze beweging van regressie is permanent. Aan de ene kant verwijst het naar de geïdealiseerde projectie van een samenleving die dateert van voor 1492 – een datum die voor de dekolonialen overeenkomt met het begin van de Westerse moderniteit met de verovering van het Amerikaanse continent. Maar het verwijst ook naar de gemeenschappen van vandaag, die worden opgeroepen om zich te verzetten tegen elke vorm van integratie en om op een clan-achtige manier te functioneren.
Op dit punt moeten we wijzen op een paradox: deze visie op de wereld, die waarde hecht aan voorouderlijke tradities en waarden en de moderniteit radicaal verwerpt door deze gelijk te stellen aan een vorm van decadentie, behoort objectief gezien tot het domein van het conservatieve of zelfs reactionaire gedachtengoed. Maar ondanks haar onmiskenbaar traditionalistische houding, die grotendeels overlapt met de thema’s van figuren als Maurice Barrès en Charles Maurras*, is Houria Bouteldja een gevestigde waarde binnen radicaal linkse kringen. Het lijkt er dus op dat deze linkse stromingen dit (op zijn zachtst gezegd) conservatieve begrippenapparaat kunnen accommoderen, zolang het maar geworteld is in een anti-imperialisme dat gericht is tegen het Westen.
Aangezien Wit in het Bouteldjiaanse lexicon Criminaliteit betekent en Inheems Goedheid, is het voor de dekoloniale activiste noodzakelijk dat inheemse gemeenschappen zich rigoureus afwenden van elke gedachte of waarde die afkomstig is uit die Westerse moderniteit. Alles, maar dan ook absoluut alles, dient te worden afgewezen. De natiestaat kan door zijn imperialistische aard niets voortbrengen dat niet bezoedeld is door racistische criminaliteit, hetzij in de meest ogenschijnlijke vorm: het kolonialisme, of in een meer verraderlijke vorm: een gebod om op een paternalistische manier humanistische waarden aan te hangen. Als gevolg daarvan wordt elke notie van menselijke en maatschappelijke vooruitgang verworpen. Voor Houria Bouteldja staat het vasthouden aan elke waarde die is afgeleid van de Verlichting gelijk aan corruptie. Kortom, volgens de dekoloniale activiste moeten de inheemse volkeren (oftewel de Barbaren) terug naar hun eigen tradities en elke vorm van vooruitgang, d.w.z. Witte corruptie, halsstarrig afwijzen, anders zullen ze onherroepelijk besmet raken met criminaliteit.
In haar tweede, meer pragmatische essay sluit de theoretica enkele compromissen met deze geboden, zij het ten koste van een aantal tegenstrijdigheden. Want in het vooruitzicht van een realistische verovering van de macht door de Insoumis, pleit ze voor een tegennatuurlijk bondgenootschap tussen de Beaufs** en de Barbares, tussen het witte proletariaat en de geracialiseerde gemeenschappen. Tegenover de mogelijke horizon van een radicaal linkse regering moeten we leren, zegt ze, om “onze handen vuil te maken”.

Houria Bouteldja mag haar opmerkingen dan voorlopig een beetje temperen, feit blijft dat ze het queer activisme fundamenteel blijft afwijzen, bijvoorbeeld met het argument dat gelijkheid voor de wet een progressieve Westerse waarde is. Voor haar is dat een oproep om een maatschappijmodel aan te hangen dat tegengesteld is aan de traditionele inheemse modellen. Ze ziet het als een beschavingsgebod dat beweert de “goede beschaving” op te leggen aan de “barbaren”. In haar ogen is deze waarde, ongeacht de realiteit van discriminatie van homo’s, Wit en moet daarom bestreden worden. Ze voegt eraan toe dat, terwijl Witten nu eisen dat inheemse mensen deze egalitaire waarde naleven, zij het zijn die homofobie in de traditionele samenlevingen hebben geïmporteerd door middel van de kolonisatie. Ze beweert dat homofobie niet bestond voor de koloniale aanwezigheid en juist verscheen door “Witte besmetting”. In haar begrippenkader introduceren Witten ofwel criminaliteit, in dit geval homofobie, of ze injecteren met geweld een progressieve waarde, de gelijkberechtiging van de queers. In beide gevallen moet wat met hen wordt geassocieerd worden verworpen: de concrete kwestie van gelijke rechten voor seksuele minderheden wordt ondergeschikt gemaakt aan de noodzakelijke en primordiale veroordeling van Witheid.
Ook het feminisme dient te worden afgewezen. Houria Bouteldja ziet het als een andere Witte waarde, een nieuw beschavingsbevel gericht aan geracialiseerde minderheden dat de traditionele orde van deze gemeenschappen verstoort. Hoewel ze toegeeft dat geracialiseerde vrouwen het slachtoffer kunnen worden van misbruik door mannen binnen hun sociale groepen, weigert ze hun toestand als universeel en hun emancipatie als noodzakelijk te zien. Voor haar gaat het vooral om het welzijn van geracialiseerde mannen die al te zeer sociaal gedevalueerd zijn, dus het belangrijkste doel van de vrouwelijke slachtoffers zou moeten zijn om hen te beschermen tegen een andere oorzaak van sociale discriminatie.
Als gevolg hiervan verwerpt Houria Bouteldja resoluut de sociologische notie van intersectionaliteit – zo geliefd bij een deel van radicaal links – die het mogelijk maakt om na te denken over de gelijktijdigheid van verschillende vormen van sociale onderdrukking. Intersectionaliteit is een hulpmiddel om de toestand van vrouwen te begrijpen die gevangen zitten op het kruispunt van de vele vormen van onderdrukking waaraan ze onderworpen zijn. Terwijl het zogenaamde universalistische feminisme blind is voor andere vormen van discriminatie, weigert de dekoloniale theoretica deze andere vormen te overwegen en poneert de verwerping van Witheid als de belangrijkste, als de absoluut primaire waarde.
Kortom, Houria Bouteldja verwerpt zonder enig onderscheid zowel de Verlichting als de contra-Verlichting. Ze gooit zeven eeuwen geschiedenis, met alle oorlogen, strijd en revoluties op één hoop met één enkele term, “Witheid”, die eenzijdig “criminaliteit” betekent. Omdat de Republiek heeft geworsteld – en nog steeds worstelt – om trouw te blijven aan haar waarden, omdat de vooruitgang van de geschiedenis altijd achterblijft bij de idealen, verwerpt de dekoloniale theoretica de Westerse moderniteit in zijn geheel, begrepen door het prisma van haar imperialisme, en verwerpt ze daarom ook de progressieve en humanistische strijd in het Westen. Tegelijkertijd roept ze gemeenschappen op zich in zichzelf te keren en terug te keren naar hun traditionele waarden.
Waar past het antizionisme in deze decoloniale, anti-moderne, conservatieve visie op de wereld, zoals hierboven beschreven, en waarom neemt het zo’n kardinale positie in? Waarom kent Houria Bouteldja zichzelf bovendien de – provocerende – titel toe van “minst antisemitische persoon in Frankrijk”?
In de wereld van Bouteldja zijn de Joden geen Witten; ze zijn noch daders, noch erfgenamen van het koloniale imperialisme. Ze zijn echter ook niet Inheems, omdat ze nooit gekoloniseerd zijn geweest. De Joden zijn een minderheid, verspreid over de hele wereld, die door de geschiedenis heen in de Westerse wereld vaak is vervolgd, culminerend in de genocide van de Shoah. Voor de dekoloniale theoretica maakt deze minderheidsstatus en de geschiedenis van vervolging de Joden tot aparte maar natuurlijke bondgenoten van de Inheemse wereld.
Met het ontstaan van het zionisme – de beweging voor de emancipatie van het Joodse volk, dat ontstond in de algemene context van nationale aspiraties in de 19e eeuw en zich vestigde in het gebied van het Palestijnse mandaat vanwege de relatie met de Joodse geschiedenis en de voortdurende aanwezigheid van Joden in dit gebied door de eeuwen heen – werd het echter gecompliceerd. Voor Houria Bouteldja is het feit dat de Joden een natiestaat willen, d.w.z. een politiek instrument dat in wezen imperiaal en crimineel is, een historisch verraad aan de Inheemse bevolking. Het is een manier om de statutaire affiniteit die hen verbond achter zich te laten en naar een hogere rang te gaan, die van politieke autonomie en dus overheersing. In het lexicon van Bouteldja is een zionist een “verwitte Jood”, met andere woorden een Jood die besmet is met criminaliteit. Het maakt niet uit dat de kwetsbare positie van de Joden de voedingsbodem is geweest voor de Shoah, en het maakt niet uit dat Israël is gebouwd als een toevluchtsoord die hen kan beschermen tegen verdere vernietiging. Voor de dekoloniale theoretica is het zionisme verraad en dienen Joden voor altijd een getolereerde minderheid binnen andere naties te blijven. In de ogen van Houria Bouteldja draagt de staat Israël dan ook een dubbele misdaad met zich mee: vanaf het begin is het een imperiaal regime geweest dat het land van de Inheemse Palestijnen heeft gekoloniseerd, en in dat proces heeft het afgerekend met wat zij beschouwt als “Joodse authenticiteit”, de diasporische conditie van minderheid.
Kortom, de gekoloniseerde volkeren moeten vechten om hun politieke autonomie te verwerven, maar alleen de Joden moeten voor onbepaalde tijd in de periferie van de Geschiedenis blijven, voor altijd kwetsbaar, zelfs als dat betekent dat ze opnieuw worden blootgesteld aan antisemitische vervolging. Voor Houria Bouteldja vormt deze eeuwigdurende minderheidstoestand de ware en authentieke Joodse identiteit. Hoewel de dekoloniale theoretica zich niet bezighoudt met Joodsheid, eigent ze zichzelf het recht toe om de juiste politieke bestemming te bepalen die joden zouden moeten omarmen, om één enkele, eenduidige en vaste “Joodse authenticiteit” aan te wijzen waaraan iedereen zich zou moeten onderwerpen, en om ten slotte het zionisme te hekelen als een verraad aan andere minderheden. Om een einde te maken aan dit onvergeeflijke verraad moet de staat Israël ophouden te bestaan.
Zionisme wordt daarom gezien als “Joodse ontrouw”, een verraad van de Joden van andere minderheden om op te kunnen klimmen tot de rang van natie. Naast het zionisme vindt deze ontrouw plaats op een tweede niveau binnen de Franse samenleving zelf en heeft het een specifieke naam: filosemitisme van de staat. Volgens Houria Bouteldja krijgen de Joden in Frankrijk in vergelijking tot andere minderheden een voorkeursbehandeling van de staat. De overheid gedraagt zich als het ware als een autoritaire leraar voor zijn klas, die ten onrechte zijn favoriete leerling bevoordeelt ten koste van anderen. Het directe gevolg van deze onrechtvaardigheid is dat de haat van de leerlingen tegen de favoriete leerling – en tegen de leraar – wordt aangewakkerd. Om haar overheersing over minderheden uit te oefenen, orkestreert de overheid deze competitie en wekt, door middel van dit favoritisme, de haat tegen de Joden op. Wat de laatstgenoemden betreft, hun instemming met deze voorkeursbehandeling maakt hen eens te meer tot verraders van de zaak van de minderheden.
Deze beschuldiging van filosemitisme van de staat grijpt onvermijdelijk terug op de lange geschiedenis van antisemitische fantasieën over de Joodse overheersing van de staat. De incorporatie ervan in een globale visie op de relatie tussen minderheden en de staatsmacht in een concurrerende modus is een nieuwe ontwikkeling.
Houria Bouteldja maakt een belangrijk punt over anti-Joodse haat onder minderheden. Hoewel ze gelooft dat antisemitisme voornamelijk voortkomt uit door de staat gesponsorde concurrentie, komt deze vijandigheid ook voort uit een andere bron: de integratie. Ja, voor de dekoloniale theoretica bestaat anti-Joodse haat niet a priori binnen geracialiseerde gemeenschappen – net zoals homofobie niet bestaat. Als deze haat zich voordoet, komt dat door hun sociale integratie in de Republiek, hun lidmaatschap van de “Witte gemeenschap”, die zelf gekenmerkt wordt door antisemitisme. Houria Bouteldja noemt dit “whitewashing” of “ensauvagement”. Volgens haar maakt bijvoorbeeld de antisemitische misdaad van Mohamed Merah deel uit van dit fenomeen: de terrorist zou zichzelf “tot slaaf hebben gemaakt door integratie”. Ze aarzelde niet om kort na het bloedbad te verkondigen: “Mohamed Merah, dat ben ik”, om, zei ze, minderheden te waarschuwen voor het risico om te verzinken in antisemitisch terrorisme door … te vergaande assimilatie. Voor de theoretica is het juist het aanhangen van de republikeinse waarden dat aanleiding geeft tot antisemitisme onder geracialiseerde bevolkingsgroepen. Nogmaals, dit extreme niveau van verwarring is gebaseerd op het oorspronkelijke verklarende schema: wat crimineel is, is Wit of Verwit, wat goed is, is Inheems.
Op dezelfde manier uitte Houria Bouteldja in een veelbesproken passage in haar eerste essay haar angst voor een jongetje dat een keppeltje droeg. Opnieuw verklaart ze haar ongerustheid door zich zorgen te maken over haar potentiële “ensauvagement”. Dit kind haten zou het teken zijn van een te vergaande integratie, van een verwoestende “Verwitting” waartegen ze zich heldhaftig verzet.
Daarom wil de dekoloniale theoretica zich in haar nieuwste publicatie uitroepen tot “de minst antisemitische persoon in Frankrijk” en wijdt ze er een hele uiteenzetting aan. Zolang de Joden een verspreide minderheid blijven, verwelkomd en getolereerd door naties, zolang ze trouw blijven aan hun historische kwetsbaarheid, zolang ze hun “traditionele authenticiteit” behouden, zolang ze blijven op de plaats die hen door de geschiedenis is toegewezen, tolereert Houria Bouteldja hun aanwezigheid. Ze tolereert het, terwijl ze erkent dat ze moeite moet doen om het gevoel van afwijzing te bestrijden dat haar overvalt als ze een kind met een keppeltje ziet.
Aan de andere kant, als de Joden zich losmaken van de plaats die hen is toegewezen, als ze hun vrijheid opeisen als autonome politieke subjecten, als ze het getto verlaten dat hen is toegewezen, als ze zionisten worden, dan worden de Joden niet langer meer getolereerd. Ze verraden dan het lot van andere minderheden. Kortom, door het zionisme te omarmen, belichamen de Joden de figuur van Judas.
Deze twee niveaus van verraad komen voort uit een derde, meer algemeen niveau. Voor Houria Bouteldja is de moderne Westerse samenleving na 1945 heropgebouwd op een officiële afwijzing van racisme – alleen maar officieel omdat Bouteldja juist het voortbestaan van de structuren ervan aan de kaak stelt. Deze afwijzing van het racisme wordt uitgedrukt in de slogan “nooit meer”, die precies verwijst naar de genocide op de Joden in Europa. De definitieve diskwalificatie van racisme door de Westerse regimes is daarom gebaseerd op de Shoah, met andere woorden op de antisemitische misdaad. Hoewel koloniale misdaden een eeuwenlange geschiedenis behelzen, zijn het niet die misdaden die hebben geleid tot het uitbannen van racisme en het inluiden van een nieuw antiracistisch tijdperk. In de ogen van de dekoloniale theoretica is het onaanvaardbaar dat Joden het ultieme slachtoffer van raciale misdaden zouden zijn. Voor haar is het een vorm van usurpatie.
Houria Bouteldja weigert de geschiedenis, haar mechanismen, haar vooruitgang en achteruitgang te analyseren. Ze weigert te begrijpen dat tussen de twee Wereldoorlogen de Jodenhaat de raciale taal leende die toen dominant was, wat uitmondde in een genocide. De Joden worden zo bijna schuldig gemaakt aan het feit dat ze het tijdelijke maar extreme doelwit waren van dit raciale antisemitisme. Als usurpators nemen ze een plaats in op de raciale schaal van de geschiedenis die hen niet toekomt.
Voor Houria Bouteldja wordt de bestendiging van de koloniale overheersing door middel van het “raciale pact” dat de staat en “Witten” verenigt tegen geracialiseerde gemeenschappen, versterkt door de afwijzing van de Shoah. Met andere woorden, de diskwalificatie van het antisemitisme zorgt ervoor dat het “raciale pact” kan blijven bestaan. In haar ogen wordt de uitsluiting van de Indigènes mogelijk gemaakt door het Westerse goede geweten van “Nooit meer”. De Joden, die profiteren van deze specifieke status, zijn dus eens te meer verraders van de minderheden.
De kern van het radicaal linkse antizionisme wordt gevormd door het Bouteldjiaanse denksysteem, waarin de Joden de drievoudige incarnatie zijn van de Judasfiguur. In minder dan tien jaar heeft de dekoloniale theoretica een centrale plaats verworven binnen deze bewegingen en haar ideologische invloed op La France Insoumise is onmiskenbaar. Ze is hier blij mee, maar ook verrast door deze razendsnelle opkomst en beschrijft Jean-Luc Mélenchon als een “oorlogsbuit”. Sinds LFI een van de belangrijkste politieke krachten in Frankrijk is geworden, zet Houria Bouteldja haar alliantie voort, waarbij ze vooral campagne voert voor een dekoloniale Frexit: een vertrek uit het imperiale Europa. Deze strategische unie gaat ten koste van fundamentele tegenstrijdigheden, zoals de herinvestering in het gehate concept van de natiestaat, gepaard met een opportunistische nationalistische herbronning. En deze tegenstrijdigheden zorgen voor opschudding binnen de radicaal-linkse wereld.

Hoewel het vooruitzicht op het winnen van de macht bepaalde ideologische elementen kan vervormen, blijft de haat tegen het zionisme voor Houria Bouteldja een onwrikbaar gebod. Om die reden hebben de dekoloniale activisten sinds 7 oktober hun belangrijkste doelwit geïdentificeerd als “linkse zionisten”, een term waar ze ironisch mee omgaan omdat ze die een oxymoron vinden. Zoals we hebben gezien, betekent “zionistisch” in hun ogen “imperialistisch”, omdat de Joden geen rechten hebben op het land en niets meer zijn dan kolonisten van de zee tot de Jordaan. In dat geval is het volgens hen onmogelijk om te beweren dat ze bij links horen. De dekoloniale beweging gebruikt daarom al haar energie om hun strijd te diskwalificeren. Onlangs schreef Houria Bouteldja nog een artikel waarin de activist Jonas Pardo, die linkse organisaties traint in de strijd tegen antisemitisme, rechtstreeks wordt aangevallen.
Waarom storen de dekolonialen zich zo aan “linkse zionisten”? Omdat hun strijd bestaat uit het laten zien dat het heel goed mogelijk is om het imperialisme en zijn expansionistische misdaden te bestrijden en tegelijkertijd het recht van Joden op politieke zelfbeschikking te erkennen door middel van het bestaan van Israël. En daarmee te strijden voor het recht op zelfbeschikking van alle volkeren. Door deze dunne lijn te bewandelen, die de legitimiteit van Israël krachtig bevestigt en even krachtig de excessen van zijn huidige regering veroordeelt, doorbreken deze “linkse zionisten” de binariteit van het dekoloniale denksysteem. Ze begeven zich in de semantische arena, weigeren om de term “zionist” een belediging te laten worden en vechten om ervoor te zorgen dat de term een echo is van de duizenden Israëli’s die de afgelopen twee jaar onvermoeibaar de straat op zijn gegaan, tegen hun eigen leiders, voor democratie en mensenrechten.
In het universum van Bouteldja behoren individuen fundamenteel tot hun groep op de raciale schaal van de geschiedenis en dient de toekomst zich altijd aan het verleden te onderwerpen. De Joodse wereld, die enerzijds bestaat uit een uitgestrekte en eclectische diaspora en anderzijds uit Israël (dat het onderwerp is van hevige interne strijd), verzet zich tegen haar simplificerende en essentialiserende manicheïsme. Het naast elkaar bestaan van deze twee polen ontgaat de persoon die zichzelf beschouwt als “de minst antisemitische in Frankrijk” radicaal, terwijl ze tegelijkertijd haar afschuw uit over een Joods kind en hoopt op het einde van Israël.

- * Maurice Barrès (1862-1923) en Charles Maurras (1868-1952) waren twee belangrijke extreemrechtse ideologen (PZ).
- ** Beauf, afkorting van beaufrère (zwager). Een karikatuur van de tekenaar Cabu (Jean Cabut) die het type van de ongeletterde en racistische witte man belichaamt.